Ik wil mijn stem laten horen

Toen haar vader dreigde zijn gezin te ontvoeren naar Afghanistan, vluchtte Aisha (14) met moeder, broertje en zus naar de vrouwenopvang. ‘Gesprekken met een psycholoog hebben we daar gemist.’

jongeren augeo storytelling

‘Mijn vader en moeder maakten constant ruzie, mijn vader sloeg ons. Soms dreigde hij mijn moeder te vermoorden. Toen hij aankondigde dat hij ons, zonder mijn moeder, mee naar Afghanistan wilde nemen en daar onze paspoorten zou verscheuren, moesten we weg. Ik was tien, mijn zus dertien en mijn broertje zes. Mijn moeder had geregeld dat we naar de vrouwenopvang konden. We vertrokken ’s avonds laat, toen mijn vader naar zijn werk was. Alleen onze kleren namen we mee.

Uiteindelijk woonden we daar twee jaar. Ik ontmoette er veel jongeren die ongeveer hetzelfde hadden meegemaakt. Na een paar maanden kon ik in de buurt naar een nieuwe basisschool. Het was voor mij geen slechte tijd; ik had al mijn gevoelens opzijgezet.

Mijn vader heeft mijn zus nog een sms gestuurd waarin hij dreigde ons allemaal te vermoorden. Van familie hoorden we dat hij alles had verkocht op Marktplaats en naar Afghanistan was verhuisd. Daar is hij opnieuw getrouwd en heeft hij opnieuw kinderen gekregen.

Na twee jaar bood onze hulpverlener ons een huis aan in een dorp in de regio. Eigenlijk wilden we de stad niet verlaten, maar anders hadden we nog langer op een huis moeten wachten. Ik bleef heen en weer reizen om mijn basisschool af te maken.

Aanrakingen

Mijn moeder, zus en ik hebben last van depressies. Het slaan van mijn vader heeft sporen nagelaten. Mijn broertje is soms agressief en ik merk dat ik zelf ook een kort lontje heb. Ik kan niet goed tegen aanrakingen en ik vind het moeilijk om mannen en jongens te vertrouwen. Ook met docenten is dat soms lastig. Als ze gewoon aardig zijn, denk ik altijd aan mijn vader, die alleen aardig deed als hij iets voor elkaar wilde krijgen.

Ik mis mijn vader wel en niet. De laatste jaren was hij er bijna nooit en maakte hij altijd ruzie. Maar hij nam weleens dingetjes van supermarktspaaracties voor me mee. Op slechte momenten denk ik: ik hoop dat hij doodgaat. Vooral als ik zie wat hij mijn zus, broertje en moeder heeft aangedaan.

Kracht

Op de opvang besloot ik om na de basisschool het tweetalig gymnasium te gaan doen. De begeleiders dachten dat ik dat vast niet zou volhouden, maar ik ben koppig. Ik wil gewoon een goed leven. Ik zit nu in de tweede en het gaat goed. De band met mijn broertje gaf me kracht. Op de vrouwenopvang was ik een beetje zijn moeder: ik bracht hem naar school en smeerde zijn brood. Ik dacht: als ík al niet kan doorgaan, hoe redt hij het dan?

Op middelbare school heb ik een leerkracht eens verteld wat er allemaal gebeurd was en dat ik me daardoor niet goed kon concentreren. Zij beloofde er rekening mee te houden, maar toen ik daarna een keer problemen met huiswerk had, kreeg ik meteen een onvoldoende. Een andere keer nam ik een ggz-medewerkster op school in vertrouwen. Later bleek die medewerkster mijn moeder daarover gebeld te hebben, want die zei verontwaardigd: “Wat heb je nu weer rondverteld?” Ze wilde niet dat ik de vuile was buiten hing. Hulpverleners moeten gesprekken binnenskamers houden, vind ik.

Kans

Het zou mijn moeder, mijn zus en mij erg geholpen hebben als we op de opvang met een psycholoog hadden kunnen praten. Maar niemand bood dat aan. Om daar verandering in te brengen, ben ik nu actief voor het jongerenpanel Veilig Thuis, ben ik jeugdambassadeur op onze opvang en zit ik bij de Jongerentaskforce.

Hulpverleners zouden beter contact moeten hebben met kinderen en jongeren. Er moeten ook meer cursussen voor jongeren komen. Zelf mocht ik als tienjarige niet naar de tienerkamer op de vrouwenopvang, maar was ik te oud voor kinderactiviteiten. Ik wilde heel graag mijn stem laten horen, maar niemand luisterde. Gelukkig heb ik die kans nu wel gekregen. Dat helpt bij mijn verwerking. Het doet me goed om niet alleen mezelf, maar ook andere kinderen een beter leven te geven.’

Aisha  is een gefingeerde naam.